ONZE GESCHIEDENIS

Op de hoek van de Bergse Dorpsstraat en de Kerkstraat opende Bas Tol in 1910 zijn ‘spekslagerij’ en ‘vleeschhouwerij’. Inmiddels staat de vierde generatie er achter het hakblok. Met een blik op de toekomst, maar trots op het rijke verleden.
Hieronder leest u meer over de lange geschiedenis van onze slagerij.

Bas Tol: van boerenzoon tot slager

Bas Tol, zoon van herenboer Pieter Tol in Nieuw-Beijerland, maakte geen aanspraak op een eigen boerderij en werd al op 12-jarige leeftijd naar Rotterdam gestuurd als slagersknecht. Als rechterhand van ‘meesterslagers’ Gebroeders Philippus op de Binnenweg leerde hij het vak. Philippus bediende de Rotterdamse horeca en de gegoede burgerij.

Na zijn huwelijk kreeg Bas de kans om de slagerij van de gebroeders Oosthoek in Hillegersberg over te nemen. In die tijd was Hillegersberg in oppervlakte groter dan Rotterdam en de broers bedienden dit hele gebied met paard en wagen. Bij het opnemen én bezorgen van de horecabestellingen was het gebruikelijk om daar een alcoholische versnapering bij te nuttigen. Hier kwam Bas achter nadat hij de zaak had gekocht – hij dronk zelf geen druppel, dus hij had nauwelijks omzet. Zijn redding waren de welgestelde Rotterdammers die rond 1910 in Hillegersberg buitenverblijven lieten bouwen – waar ze zich uiteindelijk ook permanent vestigden.

Het waren oude bekenden: voormalige klanten van Philippus waarvan Bas Tol exact wist wat ze graag aten. Dat was vooral het luxere ‘vleesch’, maar voor de minder luxe delen vond Bas ook een goede bestemming: ze werden aan het Bergwegziekenhuis en het Coolsingelziekenhuis geleverd. Ook werden ze  – tegen een gereduceerd tarief – verkocht aan het kindertehuis voor motorisch gehandicapten, de Adriaanstichting aan de Straatweg. Dit gebeurde op uitdrukkelijk verzoek van de initiatiefnemers van het tehuis, de familie de Monchy, nadat Tol zijn trouwe klanten had gevraagd of hij ze iets meer voor hun biefstukjes mocht rekenen.

Dirk Tol: slager èn kunstliefhebber

Dirk was de enige zoon van Bas die in de slagerij werkte. Toen vader in 1939 onverwacht overleed, moest hij de zaak noodgedwongen overnemen. Dirk was groot kunstliefhebber en was liever iets in die richting gaan doen, maar het was midden in crisistijd en de schoorsteen moest blijven roken – op zijn oudste broer na studeerden alle andere kinderen uit het gezin.

Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Slagerij Tol door de Duitsers aangewezen om de Adriaanstichting te blijven bevoorraden, net als het Coolsingel- en het Bergwegziekenhuis. Het leverde werk op, maar ook veel afgunst. Broer Piet werd met zijn groentezaak ook aangewezen en kreeg transportvergunningen om voedseltransporten van Nieuw-Beijerland en Hekelingen naar Rotterdam te rijden. Tijdens de bezetting van de Zuid-Hollandse eilanden smokkelden ze vele ladingen aardappelen en groente naar Rotterdam om de vele onderduikers van eten te voorzien. Een stukje in stilte verdrongen geschiedenis in een straat vol NSB-ers die je elk moment konden verraden.

Met zijn kunstzinnige voorliefde verbouwde Dirk Tol in 1947 het gehele interieur van zijn zaak. Het werd een schitterend interieur met een prachtige halfronde toonbank, getimmerd door zijn opa Jan van Eijk. Het interieur was met met melkglas, edelstaal en tegelwerk een heus kunstobject.

Na de oorlog reed er een Citosabus in op het pand van de sigarenboer, naast de slagerij. Door de schade moest het prachtige hoekpand van Tol tegen de vlakte. Samen met zijn broer Bas (architect bij Tol, Noordhoek en de Ruyter) was Dirk in de wederopbouwtijd (1955) verantwoordelijk voor het ontwerp van het nieuwe gebouw en de moderne inrichting van de slagerij zoals die er nu nog staat. Met als basisontwerp het originele interieur uit 1910, maar mét de prachtige kunstzinnige details van het interieur uit 1947.

Bas Tol Junior: eigenwijs vakmanschap

In 1957 deed de toen 17-jarige Bas Tol met de nodige tegenzin zijn intreden in het bedrijf. Te trots om te gaan solliciteren ging hij bij zijn vader aan het werk. De karakters van vader en zoon botsten en Bas vond het allemaal maar niks: hij wist alles beter en vond dat het allemaal anders en beter moest. Dirk vermeed de confrontatie en liet Bas zijn eigengereide gang gaan, want hij zag kans om eindelijk zijn droom na te jagen en zijn zo gewilde museum op te richten.

Toen Bas Tol Jr. de zaak ging runnen werd de ‘B’ weer aan de gevel teruggehangen en gaf hij zijn culinaire draai en visie aan het bedrijf. Net als zijn opa verkocht hij de beste kwaliteit, maar maakte hij het vlees met zijn eigengereide vakmanschap daarnaast ook nog bijzonder. Dat maakte hem vaak onbegrepen bij vakgenoten (en dat is nog steeds zo). Zijn ideeën over goed vee stonden aan de basis van een stamboekveestapel. Een veestapel waaruit al sinds de jaren tachtig onderscheidende kwaliteit mede mee wordt bepaald.

Een kunstzinnige winkel zonder vlees in de vitrine: Bas was stellig in zijn overtuiging dat kwaliteit zich altijd laat verkopen, ook zonder het te etaleren. Wie heeft wel eens een reclame voor een Rolls Royce gezien? Precies dat!

Jan-Willem Tol: blik op de toekomst

Als de vierde generatie zich in 1989 aandient, ligt er een uitgelezen toekomst in het verschiet. Met de uitgezette koers in kwaliteit van Bas Sr. en de culinaire richting van Bas Jr., is het voor Jan-Willem geen makkelijke taak om die lijn te behouden. Aan hem de opgave om het goede te behouden en te moderniseren waar nodig. Het is een strijd, want vader Bas is precies als een uurwerkmaker: hij vindt het pas goed als Jan-Willem het beter kan dan hij. Een uitdaging die Jan-Willem niet schuwt: Bas wil beter? Dan krijgt hij beter! Samen werken ze 25 jaar samen en loodsen ze het prachtige bedrijf naar het 100-jarig bestaan.

Het bedrijf kent uitdagingen in het huidige tijdperk: Kwaliteit is van alle tijd, maar na 100 jaar ben je nooit meer zo hip als een start-up. Hoe kun je vandaag een onderscheidende smaak verkopen, nu alles eerst visueel wordt beoordeeld? Het ziet er toch allemaal hetzelfde uit? Was de ooit zo introverte bedrijfsvoering de eigenwijze basis, nu is die de grootste bedreiging. Het prikkelen van een nieuwe generatie is aan Jan-Willem wel besteed. Hij gaat op eigenwijze weg door en slaagt erin om in dit visuele tijdperk topkwaliteit in beeld te brengen.